De hamvraag

Vermoedelijk hebben we het allemaal weleens nodig: een coach die je helpt om erachter te komen wat je nu precies bezig houdt; welke puzzels door je hoofd zweven en waar dat onbestemde gevoel vandaan komt waar je de vinger maar niet op kunt leggen.

Wanneer je het gevoel hebt niet op je plek te zitten of niet te weten wat je moet doen. Hoe je met jezelf of met je collega om moet gaan. Hoe je in een team zit of hoe je sturing moet geven zonder al te veel te lijken op een bullebak met grootheidswaanzin. Of hoe je als werknemer sturing krijgt zonder het gevoel te hebben dat je eigen inbreng gewaardeerd of erkend wordt.

Het zijn onbestemde gevoelens en gedachten die samen een soort modderpoel vormen, terwijl je het liefst de rust en helderheid van een kristalzuiver meertje of vennetje zou willen hebben.
In zo’n fase is het prettig als er iemand is die het kroos en de modder helpt weg te scheppen, door eerst eens samen te kijken naar de consistentie ervan: waaruit bestaat de troebel-makende smurrie; kortom: wat is de vraag eigenlijk?
Hoe krijg je alle breinspinsels die bij tijd en wijle opkomen, maar waarvan je nog niet precies weet hoe ze nu de eigenlijke kwestie vormen, bij elkaar? Waar draait het om? De hamvraag, zo te zeggen.

Het woord hamvraag is, hoe meer je het leest en uitspreekt, al een kwestie op zich. Alleen de senioren onder ons zullen waarschijnlijk nog weten waar het vandaan komt: het heeft letterlijk te maken met een ham. In de jaren vijftig van de vorige eeuw stond iedere week bij de NCRV een radio-quiz geprogrammeerd met de naam ‘Mastklimmen’. De deelnemers aan die quiz klommen na het goed beantwoorden van vragen steeds hoger in een in de studio geplaatste mast (wel weer jammer dat je dat dan niet kon zien). De laatste, belangrijkste, cruciale vraag leverde je bij een juiste beantwoording een ham op, die je uit de top van de mast mocht pakken. De hamvraag dus. De presentator (Johan Bodegraven) zei tot slot altijd dat je als je de ham niet kon ophalen, in ieder geval je kennis had opgehaald

Als we kijken naar onze dagelijkse hamvragen valt het volgende op: soms lijkt een knelpunt, probleem of vraag bij voorbaat helemaal duidelijk. Geen troebel water of smurrie in je hoofd; je hebt zelf de situatie geanalyseerd en je komt tot een conclusie. De coach hoeft alleen nog maar mee te helpen nadenken over de oplossing. Dat kan kloppen, er kunnen echter ook andere dingen spelen die niet altijd even gemakkelijk voor het voetlicht komen. De vraag waar je mee begint hoeft dan niet altijd de eigenlijke vraag te zijn. Die komt soms pas in de loop van het traject aan de orde. Daarbij spelen niet zelden beeldvorming en taal een rol.

Als je bij twee ruziënde collega’s zeker denkt te weten wie de aanstichter is van het probleem, en daar de coachvraag op wilt zetten, heb je een bepaald beeld van deze personen en de situatie. Blijkt het gaandeweg precies andersom te zijn, dan doet dat iets met je beeldvorming, met je perceptie van de situatie en dus ook met de kern van de vraag: je moet bijstellen, anders komt er geen efficiënte oplossing in zicht.

Ook taalgebruik kan voor vertroebeling zorgen: taal is onderhevig aan beelden, associaties en trends en kan soms allergieën opwekken, waarmee de eigenlijke vraag niet aan de oppervlakte komt. Wie heeft het niet meegemaakt dat na een cursus of training iedereen ineens allemaal woorden ging gebruiken die voorheen bij niemand in het idiomatisch standaardpakket zaten? Het gebruik van specifieke benamingen en uitdrukkingen (meestal vanuit het management, maar ook vanuit coaching en begeleiding) kan in sommige gevallen voor negatieve connotaties zorgen. Zo is in de ene organisatie het woord ‘regiegroep’ heel goed werkbaar, terwijl dat in de andere organisatie een van afgrijzen vervuld woord is dat herinnert aan een organisatieverandering waar niemand blij van werd. De simpelste woorden kunnen zonder dat je er erg in hebt ‘besmet’ zijn. Herman Finkers heeft ooit eens in een conference verteld dat de pasgeboren baby van zijn buurvrouw ontzettend lelijk was, maar dat hij vond dat hij dat niet kon zeggen. Hij bedacht dat het handig was om dan maar over ‘een lief kind’ te spreken. Dit heeft tot gevolg gehad dat iedere moeder nu de wenkbrauwen optrekt als je haar zojuist ontsproten boreling ‘lief’ noemt.

Wanneer je nu als frisse leidinggevende je team wilt inspireren door een regiegroep te vormen die meekijkt, of andere erge dingen bedenkt (zoals opschalen, klankborden, hei-sessie, stip op de horizon en meer van dat soort onzin), en je klopt bij een coach aan omdat je concludeert dat je met uiterst onwillige en dwarse mensen te maken hebt, kan het zomaar zijn dat er in wezen niets mis is met het team. Maar dat ze domweg vlekken in hun nek krijgen van jouw taalgebruik, waaraan onprettige associaties verbonden zijn, en anders niet. Ook dan begin je met een vraagstelling die voorbij gaat aan de kern van de kwestie en zal je moeten bijstellen: de oplossing ligt hier namelijk niet in de begeleiding van het team.

Echter ook al is de startvraag niet altijd de hamvraag, je moet toch gewoon ergens beginnen. En dat is prima. Want gelukkig zijn wij er ook: de coaches van Buro Noorderlingen. We hebben inmiddels genoeg taal verworven om alle fijngevoeligheden te ontdekken en over vaardigheden om tot de kern te komen beschikken we eveneens.
Daar zijn wij voor, om samen te ontdekken of het over de ham, over lieve kindertjes of over nog iets heel anders gaat. En vooral: hoe je tot een oplossing komt!

Leonie Wagenaar